Een Prologische Samenvatting
Dit is een prologische, voorlopige samenvatting. Zie het als een vooraankondiging en van voorlopige aard. Het originele werk waaruit deze tekst is voortgevloeid, is voortdurende in ontwikkeling. Wat hier gepresenteerd wordt, is de kristallisatie van de centrale filosofische inzichten en de architectuur van het denken, maar zeker niet de volledige uitwerking die het uiteindelijke boek zal bevatten. Het is een voorbehoud. Beschouw deze tekst als een werkdocument, een notitieboekje waarin gedachten nog steeds in beweging zijn, waarin vragen nog niet definitief beantwoord zijn, en waarin de verwondering de drijfveer blijft.
Er is een god die van de Olympus viel. Negen dagen tuimelde hij door de lucht – een goddelijk lichaam in vrije val – tot hij, Hephaistos, neerkwam op het eiland Lemnos. Gebroken, kreupel en voor altijd gekenmerkt door het litteken van zijn val. Hephaistos is niet zomaar een figuur uit de klassieke mythologie, hij is de proto-god van de menselijke conditie zelf. Niet omdat hij de mens liefheeft zoals zijn vriend Prometheus deed, maar omdat hij is wat de mens is: gevallen maar scheppend, kreupel maar machtig, dienend maar onwetend, makend wat hij niet begrijpt en lijdend aan wat hij maakt[1].
In de smidse van Hephaistos, daar waar het vuur brandt en de hamer op het aambeeld slaat, daar waar het metaal gloeit en de vonken vliegen, daar ontvouwt zich het drama van de menselijke zelfproductie. Want de mens is geen voltooide schepping die eens uit de handen van een almachtige maker – de grote Pottenbakker die zijn mythische oorsprong vindt in Genesis 2:7 – kwam zoals een kunstwerk uit het atelier van een meester. Hij is geen bārā', geen schepping uit het niets, geen goddelijk fiat dat in één ademtocht het volmaakte uit het onbestaande trekt. Hij is yāṣar – gekneed, geboetseerd, gevormd uit klei die al bestond, een substantie die nog geen subject was, een mogelijkheid die nog niet gewekt was tot werkelijkheid[2].
En in die vormgeving, in dat kneden en boetseren, ligt een fundamentele waarheid verborgen die als een onzichtbare inscriptie in het weefsel van ons zijn is gegraveerd: de mens is geen voltooide schepping, maar een vormingsproces dat nooit tot rust komt. Hij is een project dat nooit wordt afgesloten, een vraag die nooit definitief beantwoord wordt. Dit is niet een pessimistische diagnose, maar een existentiële werkelijkheid die tegelijkertijd het meest bevrijdende en het meest belastende aspect van het menselijk bestaan vormt.
Maar hier, precies hier in het hart van deze onvoltooidheid, ontstaat iets fataal en wonderlijk tegelijk. De mens die weet dat hij klei is, die voelt hoe zijn lichaam moe wordt en pijn lijdt, die ziet hoe anderen sterven en beseft dat ook hij zal vergaan, deze mens draagt tegelijkertijd de ruach in zijn neusgaten, de goddelijke adem, de wind die leven geeft. Hij is gemaakt, zo vertelt de mythe, "naar het beeld en de gelijkenis van God" (tselem Elohim). En in dit besef, in deze dubbelheid van klei en adem, van eindigheid en goddelijkheid, ontstaat de meest gevaarlijke en meest productieve zelfmisvatting in de geschiedenis van het bewustzijn: de mens begint zichzelf te zien als een bijna-god, als een onvoltooide godheid die slechts één stap, één sprong, één technologische doorbraak verwijderd is van voltooiing, van goddelijkheid, van onsterfelijkheid.
Dit is de geboorte van wat wij de goddelijke ambitie noemen – de oer-hybris die de mens tot het meest creatieve en het meest destructieve wezen op aarde maakt. Hij vergeet dat zijn onvoltooidheid niet een toevallig gebrek is dat verholpen kan worden, niet een bug in het systeem die gepatcht kan worden, maar zijn wezen zelf, de kern van wat hem mens maakt. Hij begint te geloven dat de klei een fout is, een tijdelijke toestand, een gevangenis waaruit hij moet ontsnappen op weg naar zijn ware bestemming. En zo wordt hij Hephaistos: de gevallen god die in zijn smidse probeert terug te smeden wat de val heeft gebroken, die wapens maakt om de hemel te bestormen, die automata creëert om zijn eigen kreupelheid te overwinnen, die machina ex deus produceert – machines uit goddelijke macht – waarvan zelfs hij, de maker, de consequenties niet kent.
Wat wij de keramische kramp noemen, is de benoeming van de fundamentele, onophefbare spanning die het menselijk bestaan doordringt als een voortdurende, pijnlijke vibratie. Het is de existentiële contractie van een wezen dat gedwongen is te leven in een toestand van permanente incompletie, een wezen dat nooit rust vindt omdat rust voltooiing zou betekenen, en voltooiing dood.
De term is niet metaforisch bedoeld in de triviale zin van een retorische versiering, maar in de diepste, meest letterlijke betekenis: hij draagt over (metapherein) de werkelijkheid van het menselijk zijn van het abstracte naar het voelbare, van het ontologische naar het lichamelijke. Een kramp is een onvrijwillige samentrekking, een pijnlijke contractie die zich opdringt zonder toestemming en die het lichaam tot een gevangene van zichzelf maakt. De keramische kramp is precies dat, maar dan getransponeerd naar het niveau van het bestaan zelf: de mens als een wezen dat zichzelf tegenwerkt, dat tegelijkertijd vooruit wil en wordt tegengehouden, dat verlangt naar voltooiing maar weet – of zou moeten weten – dat voltooiing zijn einde zou betekenen.
Maar de mens is, zoals Arnold Gehlen[3] heeft laten zien, een Mängelwesen – een wezen van gebrek. Hij heeft geen klauwen om te jagen, geen vacht om warm te blijven, geen instincten om hem automatisch te leiden. Hij is biologisch onvoltooid, kwetsbaar, afhankelijk van wat buiten hemzelf ligt. Dit is geen mythe, maar een biologisch feit. En toch, en hier begint de tragiek, interpreteert de mens deze biologische kwetsbaarheid niet als een conditie die gedragen moet worden, maar als een probleem dat opgelost moet worden. Hij ziet zijn gebrek niet als wat hem mens maakt, maar als wat hem nog niet god maakt.
De biologische onvoltooidheid wordt getransformeerd tot een existentiële onvoltooidheid, een gebrek aan zijn, een afstand tot het goddelijke die overbrugd moet worden. De pot is een antwoord op de biologische kwetsbaarheid; hij bewaart voedsel en overwint de winter. Maar de pot wordt ook een symbool van de existentiële onvoltooidheid: een vat dat wacht op adem; een vorm die wacht op uiteindelijke voltooiing. En zo begint de mens niet alleen te maken – vormen – om te overleven, maarte maken om te transcenderen, niet alleen te compenseren maar te overwinnen, niet alleen de winter te trotseren maar de tijd zelf te beheersen.
De eerste technologie, de oertechnologie waarin de mens zichzelf herkent en waarin hij zijn eigen conditie gespiegeld ziet, is de pottenbakkerij. De pottenbakker neemt vormeloze klei en dwingt haar, door druk en rotatie, door geduld en geweld, in een vorm. Hij maakt van het nutteloze iets nuttigs, van het chaotische iets geordends, van de mogelijkheid een werkelijkheid.
Maar, en dit is de cruciale waarheid, de pottenbakker is zelf van klei. Hij vormt wat hij zelf is. Hij kneedt zijn eigen substantie. Hij is tegelijkertijd het subject dat vormt en het object dat gevormd wordt. Dit is geen eenrichtingsverkeer waarin een autonoom subject een passief object bewerkt. Het is een wederkerige, dialectische beweging, een dans waarin beide partners elkaar leiden en volgen: mens vormt technologie vormt mens.
De pot die de pottenbakker maakt, maakt op haar beurt de pottenbakker. Zijn handen worden gevormd door het kneden, zijn oog door het kijken, zijn geest door het anticiperen van de vorm die nog komen moet. Dit is wat wij technogenese noemen. Niet technologie als extern hulpmiddel, maar alsconstitutief element van het menselijk worden, als de wederkerige vorming waarin mens en techniek elkaar produceren in een oneindige spiraal van co-evolutie.
Hephaistos, in zijn smidse op Lemnos, is de belichaming van deze technogenese. Hij smeedt niet alleen metaal; hij smeedt zichzelf. Elke slag van de hamer op het aambeeld is een slag op zijn eigen wezen. Elke vorm die hij uit het gloeiende metaal trekt, trekt tegelijkertijd een vorm uit hemzelf. Hij is de maker die gemaakt wordt door zijn maakwerk, de schepper die geschapen wordt door zijn scheppingen, de god die gevangen zit in de logica van zijn eigen ambacht.
De mens leeft tussen twee polen die hem constitueren en tegelijkertijd verscheuren:
De Klei – het aardse, het materiële en amorfe, het eindige, het zware. Dit is de zwaarte van het lichaam dat altijd moe wordt, altijd honger heeft, altijd pijn voelt. Dit is de weerstand van de wereld die zich niet naar onze wil voegt, die haar eigen wetten heeft, die onverschillig is voor onze verlangens. Dit is de onvermijdelijkheid van de dood die aan het einde van elke weg wacht, geduldig, zeker, onwrikbaar. De klei zegt: "Je bent dit, en niet meer dan dit. Je bent stof, en tot stof zul je wederkeren."
De Adem – het goddelijke, het spirituele, het oneindige, het lichte. Dit is de ruach die in ons ademt, het bewustzijn dat zich van zichzelf bewust is, het verlangen dat altijd naar meer reikt. Dit is de mogelijkheid, de potentia, het onbegrensde. De adem zegt: "Je bent meer dan dit. Je bent goddelijk, je bent oneindig, je bent onsterfelijk."
Tussen deze twee polen – klei en adem, eindigheid en oneindigheid, stof en geest – leeft de mens in een permanente spanning. Hij kan niet volledig klei worden, want dan zou hij sterven. Maar hij kan ook niet volledig adem worden, want dan zou hij ophouden mens te zijn. Hij is veroordeeld tot deze spanning, tot deze kramp, tot deze voortdurende contractie tussen twee onverenigbare waarheden.
En het is in deze spanning, in deze onmogelijke ruimte tussen klei en adem, dat technologie ontstaat. Technologie is de poging van de mens om deze spanning op te heffen, om klei in adem om te zetten, om het eindige oneindig te maken, om zichzelf uit zijn eigen stof op te tillen. Maar technologie is ook, en dit is de tragiek, de voortdurende bevestiging van deze spanning. Want elke technologische oplossing creëert nieuwe problemen, elke transcendentie leidt tot nieuwe vervreemding, elke macht brengt nieuwe onmacht voort.
De geschiedenis van de technologie kan gelezen worden als een genealogie van de eerste goddelijke pottenbakker via de smederij, een voortdurende intensivering van de spanning tussen klei en adem, een steeds diepere vervreemding van de mens van zijn eigen maakwerk, naar de moderne programmeur die zich beweegt in een gemedieerde materieloosheid.
De Pottenbakker is de eerste fase in die genealogie. Hier is de klei nog voelbaar, nog tastbaar, nog in directe dialoog met de maker. De pottenbakker voelt de weerstand van de klei, anticipeert op haar bewegingen en past zijn intenties aan op basis van wat de materie hem vertelt. Er is nog een zekere harmonie – intimiteit – tussen vormer en gevormde. Maar al hier in deze schijnbare harmonie, ligt het zaad van de vervreemding verborgen: de pot die gemaakt wordt, ontsnapt na de goddelijke insufflatie aan de intentie van zijn maker. De pot is bezield, krijgt een eigen leven, eigen logica, eigen geschiedenis.
De Smid is de tweede fase. Klei werd metaal; gesmolten, gehamerd, getransformeerd. De directe tastbaarheid verdwijnt. De smid werkt niet meer met de natuurlijke vorm van de materie, maar met onderwerpend geweld. De hamer en het aambeeld verschijnen als intermediairs tussen maker en gemaakte. De vervreemding intensiveert: de smid ziet niet meer direct wat hij maakt, hij hoort het, hij voelt het door de trillingen van de hamer. De objecten die hij creëert – zwaarden, ketenen, wapens, gereedschappen – hebben een veel grotere macht dan de potten van de pottenbakker. En met deze macht komt een veel grotere onwetendheid: de smid weet niet hoe zijn zwaarden zullen gebruikt worden, welke levens zij zullen nemen, welke oorlogen zij zullen voeden. Maar ook welke hamers de timmerman kiest, de ploeg van de boer, het hoefijzer.
De Programmeur is de derde fase. Zetten we deze genealogie af in een tijdlijn, dan leven wij nu in deze de fase. Hier is de materie volledig verdwenen achter lagen van abstractie. De programmeur raakt zijn materiaal niet aan, hij betast plastic toetsen en staart naar lichtsignalen op een scherm. Zijn commando's voeren zich uit in onzichtbare serverracks, duizenden kilometers verderop. De vervreemding bereikt haar extremiteit: de programmeur weet niet wat zijn code doet, niet echt. Hij schrijft algoritmes waarvan de gevolgen zich manifesteren in de levens van miljarden mensen, in de vorming van hun gedachten, in de manipulatie van hun verlangens. En toch, en dit is de ultieme paradox, heeft hij geen controle over wat hij heeft gemaakt. De code leeft een eigen leven, de algoritmes evolueren, de systemen ontsnappen aan hun makers.
Maar de smederij van Hephaistos is niet alleen een plaats van technische productie. Het is ook, en misschien vooral, een politiek laboratorium, een plaats waar macht wordt gesmeed, waar subjectiviteit wordt gevormd, waar de toekomst wordt bepaald. Want wie de smederij controleert, controleert de toekomst. Wie bepaalt welke objecten worden gesmeed, bepaalt de vorm van de samenleving. De potten van de pottenbakker bepaalden hoe voedsel werd bewaard, hoe gemeenschappen zich organiseerden rond voedselvoorraad en meer metaforisch, hoe de mens zich gedwongen zag de diviene insufflatie te trachten te imiteren. Zonder enig succes. De metalen zwaarden van de smid bepaalden hoe macht werd verdeeld, hoe oorlogen werden gevoerd, hoe staten werden gevormd. Maat wat niet levend was, kom niet tot leven worden gesmeed. En de algoritmes van de programmeur? Zij bepalen hoe informatie circuleert, welke gedachten zichtbaar zijn, welke verlangens worden aangewakkerd. Maar stimuleren tegelijkertijd de vervreemding.
De techgiganten van vandaag – Google, Meta, Amazon, X – zijn de moderne Hephaistos-figuren. Zij zitten in hun smidsen, hun datacenters en zij smeden niet alleen producten, zij smeden subjecten. Hier geldt een duaal subjectiveringsprincipe: de mens is een paradoxale synthese van het aardse, de gewichtige materie, en het diviene, de gewichtsloze geest, volgend en, zoals de mythe van de hoof van Eden leert, onnauwkeurig in zijn standvastigheid. De techgiganten en hun politieke entourages, smeden gebruikers die afhankelijk zijn van hun platforms, die hun aandacht afstaan, die hun data prijsgeven. Zij smeden een wereld waarin macht steeds meer geconcentreerd wordt in de handen van enkelen, waarin democratische instituties worden ondermijnd, waarin de autonomie van het individu wordt uitgehold. En net als Hephaistos weten ook zij niet – of willen zij niet weten – wat zij eigenlijk maken. Zij geloven dat zij vooruitgang maken, dat zij de mensheid naar een betere toekomst leiden. Maar onder het oppervlak van deze ideologie schuilt een veel duisterder werkelijkheid: de poging om macht te concentreren, om controle uit te oefenen, om de toekomst naar hun beeld om te vormen.
Maar hier, aan het einde van deze genealogie, rijst een fundamentele vraag: Wat gebeurt er als we beseffen dat we Hephaistos zijn? Wat gebeurt er als we, als is het maar heel even, uit onze subjectrol stappen en tot de ontdekking komen dat we niet de slachtoffers zijn van een blind technologisch proces, maar zelf de makers ervan? Dat we niet machteloos zijn, maar dat onze macht verscholen ligt in de keuzes die we maken, in de technologieën die we wel of niet ontwikkelen, in de smederijen die we wel of niet voeden?
Dit is niet een vraag naar escape, naar terugkeer naar een pre-technologische onschuld. Dat is onmogelijk en onwenselijk. De pot is gebakken en kan niet meer ontvormd worden. Wij zijn technologische wezens en zullen dat altijd blijven. De vraag is veel eerder: Hoe kunnen we anders smeden? Hoe kunnen we technologieën ontwikkelen die niet gericht zijn op macht en controle, maar op autonomie en bevrijding? Hoe kunnen we de smederij transformeren van een plaats van extractie en exploitatie naar een plaats van co-creatie en wederzijdse vorming?
Dit is de taak die voor ons ligt. Dit is de hamerslag die nog moet worden geslagen. En het is een hamerslag die niet door enkelen kan worden geslagen, maar alleen door velen, samen, in volle bewustzijn van wat wij aan het doen zijn.
De deur van de smederij van Hephaistos staat nog steeds open. Het vuur brandt nog steeds. De hamer wacht nog steeds op onze slag. Maar nu, in dit moment, hebben we de kans om anders te slaan. Niet meer in blinde ambitie, niet meer in de illusie van ongelimiteerde vooruitgang, maar in volle bewustzijn van wat we doen, van wie we zijn, van wat we kunnen worden.
De vraag is niet langer: Wat zal technologie met ons doen? De vraag is wat wij zullen wij met technologie doen? En dat is een vraag die alleen wij kunnen beantwoorden. Alleen wij, samen, in de smederij van onze eigen toekomst.
Deze tekst is gebaseerd op de Prolegomena en de conceptuele architectuur van het originele werk "De Metamorfose van Hephaistos". Het is een kristallisatie van de centrale filosofische inzichten, maar niet de volledige uitwerking die het uiteindelijke boek zal bevatten. De volledige versie zal veel meer historische context, filosofische diepgang, en concrete casestudies bevatten. Deze samenvatting dient als introductie tot het denken dat het werk ondersteunt.
[1] Deze karakterisering van Hephaistos verschilt van de traditionele Prometheus-mythe. Zie: Hesiodus, Theogonie en Werken en Dagen (waarin Prometheus centraal staat als weldoener van de mensheid), en Aeschylus, Prometheus Bound (waarin Prometheus' liefde voor de mens expliciet wordt benadrukt). Hephaistos wordt in deze bronnen afgebeeld als ambachtsman en maker, maar niet primair als weldoener. De hier gepresenteerde interpretatie van Hephaistos als proto-figuur van de menselijke conditie is een filosofische herinterpretatie van de klassieke mythe. ↩
[2] Ik verwijs naar het artikel Keramische Kramp, elders in deze website: Hij is nog 'āp̄ār (עָפָר), koude, vormloze, stomme materie die wacht in de handen van zijn maker. Hij is klei. In Genesis 2:7 is de mens niet het resultaat van bārā' (בָּרָא), het scheppen uit niets, maar van yāṣar (יָצַר): het boetseren uit 'āp̄ār, de vormloze stof die wacht op handen die haar kneden. Deze klei is geen tōhû wā-bōhû (תֹהוּ וָבֹהוּ), – de oerchaos van Genesis 1:2, – maar een materie die al potentieel vormbaar is: een tussenstadium tussen chaos en schepping. De mens is dus niet alleen gevormd (yāṣar), maar ook gevormd uit wat nog geen vorm had – een paradox die de keramische kramp definieert: het verlangen om te scheppen uit wat zich verzet tegen vorm (Westermann 1987). ↩
[3] Arnold Gehlen ontwikkelde het concept van de mens als Mängelwesen (wezen van gebrek) in zijn werk Der Mensch: Seine Natur und seine Stellung in der Welt (1940). ↩
© 2025 Kees Winkel. "Hephaistos de Smid-God: Een Prologische Samenvatting". Dit werk is gelicenseerd onder een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 4.0 Internationaal licentie.
U bent vrij om:
Onder de volgende voorwaarden:
Voor commercieel gebruik of andere vragen, neem contact op via [email protected]